De universiteit moet zich meer bemoeien met de buitenwereld. Ze moet niet alleen een klooster voor de wetenschap, maar, op z’n Rotterdams, ook een ‘ondernemende’ universiteit zijn. Uit de ivoren toren. Op naar de werkelijkheid van de echte wereld.
De prijs van privay
Vanuit de Ivoren Toren zijn we, samen met groepen huisartsen in het veld, gestart met het maken van rapportages voor de diabeteszorg. Die rapportage bestaat eigenlijk altijd uit twee delen. Het eerste deel is het maken van feedback voor de groep. Spiegelinformatie dus, bedoeld voor de huisartsen om onderlinge toetsing en reflectie te ondersteunen. En meestal een voorwaarde in het contract met de ziektekostenverzekeraar. En daarnaast, voor elke individuele patiënt, een paar kerngegevens voor de ziektekostenverzekeraar. Op basis van die laatste gegevens kan de huisarts in aanmerking komen voor een bonus. Het lijkt allemaal zo eenvoudig en overzichtelijk. Eitje dus.
De praktijk is weerbarstiger. Het is niet alleen de techniek die voor haar eigen problemen zorgt. Natuurlijk heeft elke huisarts zijn eigen manier van registreren. Er moet dus op het niveau van elke praktijk een vertaaltabel worden gemaakt. De huidige codeersystemen schieten hier en daar inderdaad tekort – bijvoorbeeld als het gaat om het registreren van wie nu de hoofdbehandelaar is. Precies definiëren wat je bedoelt met een bepaalde indicator blijft lastig. Het palet van indicatoren en partijen die zich opwerpen om die indicatoren te definiëren blijft maar groeien. Het is erg vervelend als de ziektekostenverzekeraar gedurende de wedstrijd de doelpalen verplaatst.
Maar minstens even groot, misschien zelfs wel groter, zijn de organisatorische problemen. Het blijkt verbijsterend moeilijk om helder, consistent en eenduidig te communiceren met een groep van tientallen (en soms honderden) huisartsen. Zelfs als je denkt dat je duidelijk uitlegt wat er moet gebeuren om feedback te kunnen geven, blijken misverstanden om het hoekje van de deur te liggen. Af en toe twijfel ik aan de helderheid van de brieven die we schrijven, maar soms vraag ik me ook af of ze ooit gelezen zijn. En ik heb geregeld medelijden met de huisartsen die door hun collega’s verantwoordelijk zijn gemaakt voor het aansturen van deze processen.
De impact van spiegelinformatie en het koppelen van beloningen beginnen echter merkbaar te worden. Huisartsen gaan elkaars gedrag intensief bestuderen. Meestal is spiegelinformatie anoniem – een individuele praktijk wordt vergeleken met de groep als geheel. Rapportage naar de individuele praktijk is vanzelfsprekend niet anoniem. De gegevens over een individuele praktijk blijven, idealiter, binnen die praktijk. Voor deze anonimiteit is, waarschijnlijk terecht, veel aandacht. De presentatie van gegevens van een groep huisartsen wordt vervolgens uitgedrukt in medianen, gemiddelden, percentielen en spreidingen.
In een kleine groep is anonimiteit natuurlijk een relatief begrip. Spontane herkenning, het herkennen van een individu (of praktijk) achter de gegevens, is in een kleinere groep eerder regelmaat dan uitzondering. En de confrontatie met spiegelinformatie kan dan hard zijn. Zo ontstaat er een bijzondere dynamiek als blijkt dat een groep huisartsen ettelijke tienduizenden euro’s misloopt omdat een paar collega’s de prestatiedrempels niet halen. De vraag dient zich vervolgens aan of de anonimiteit niet ter discussie moet worden gesteld. Peer pressure is actie, zullen we maar zeggen. Dat is niet altijd sfeerbevorderend.
Spiegelinformatie en het werken met indicatoren voor kwaliteit zijn in mijn ogen goede ontwikkelingen. Gebruikersverenigingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het definiëren van datasets die voor bepaalde ziektebeelden uit systemen gehaald moeten kunnen worden. De gebruikersverenigingen beschikken over veel ervaring met het gebruik van elektronische dossiers ten behoeve van rapportages. Die is al toegepast bij de dataset voor diabetes. Maar ik vraag me wel eens af hoe we kunnen voorkomen dat indicatoren een doel op zich worden. Ook een taak voor de gebruikersverenigingen?
 |