Tijdschrift voor huisarts en automatisering
Een echte doorbraak vraagt om revolutie
Lou Braaksma

hethis index Europese norm voor het EPD

 

De huidige generatie HISsen voldoet niet meer. Het zorgstelsel ondersteunt kwaliteitsverbetering, terwijl onze HISsen dat eigenlijk nauwelijks doen. Communicatie en toegankelijkheid van gegevens schieten tekort. Tijdens een LHV-dag in Nijkerk werd tijdens een workshop ICT de vraag gesteld wie er ontevreden was over zijn HIS. Gebruikers van verschillende HISsen staken hun hand op. Waarom?

Op die vraag kwamen uiteenlopende antwoorden. Zo luidde een klacht dat de HISsen elektronische uitwisseling niet mogelijk maken: we krijgen gegevens op papier opgestuurd als we een nieuwe patiënt in de praktijk krijgen. Die moeten we vervolgens met de hand invoeren. Als de patiënt weer weggaat, komt er weer een papieren uitdraai. Ook kunnen we onze systemen onvoldoende 'bevragen': als we gegevens uit ons HIS willen halen voor bijvoorbeeld het NHG-accreditatietraject, zijn we avonden lang bezig om het systeem met de hand na te lopen en lijsten te maken.

Een ander probleem is dat de verschillende programma's niet met elkaar praten. Als we willen werken met de programma's voor diabeteszorg: D4H (diagnosis for health, diabconsult – er komen er nog meer), moeten we zaken dubbel invoeren. En er zijn ad-hoc-oplossingen bedacht in het kader van ketenzorgprojecten, bijvoorbeeld voor astma en COPD.

Geen enkele HIS voorziet in een heldere manier van registreren. Daar zijn op een houtje-touwtje manier oplossingen voor bedacht.

Andere klachten hangen samen met extra invoerwerkzaamheden, die niet nodig zouden moeten zijn. Zo wordt teledermatologie als een ramp beschouwd: consultgegevens moeten twee keer worden ingevuld. De ontvangst van de retourberichten van de dermatoloog is omslachtig geregeld. Dubbel invoerwerk is ook nodig als je de 24-uursbloeddrukmeter en de spirometer wilt gebruiken. Registratie van de meetwaarden geschiedt in een apart programma en is niet vanuit het HIS in te zien. Dus mag je de gegevens gaan invoeren. Nog meer werk ontstaat als we het programma VIP voor declaraties en COV gebruiken. Om VIP met een HIS te laten samenwerken is er handwerk vereist.

Een ander probleem is dat er geen koppeling is met workflow-ondersteunende programma's voor een preventiespreekuur Hart- en vaatziekten. Nog meer tijdverslindend handwerk is vereist als je gebruik wilt maken van een softwareprogramma van de LHV waarmee je inzicht verkrijgt in het bedrijfsmatig functioneren van je praktijk. Het programma moet worden gevoed met allerlei gegevens die je uit je HIS kunt spoelen. Het programma van de LHV kan de benodigde gegevens echter niet zelf uit onze HISsen halen. Ook hier ontbreekt de koppeling en is dus veel zelfwerkzaamheid vereist.

Waarom nemen we dan geen ander HIS? Soms is een ander HIS immers misschien wel beter dan het programma dat we zelf hebben. Veranderen van HIS doen we echter niet zo graag: het geeft maar al te vaak verlies van gegevens. En we zijn zo aan ons HIS gewend, dat het inmiddels bepaalt hoe wij werken. Overgaan op een ander HIS betekent dus dat we onze werkwijze moeten veranderen. Dan jagen we onszelf en ons personeel in de gordijnen. En zoveel beter is dat andere HIS nu ook weer niet – het rechtvaardigt in elk geval geen overstap.

NIEUWE EPD-NORMGerard Freriks (ex-huisarts) houdt zich al jaren internationaal bezig met standaarden in de zorg. Op pagina 10 vindt u zijn artikel over de nieuwe Europese norm voor het EPD. Het is een pleidooi voor een andere opzet van zorgsystemen. Informatie moet toegankelijker en transparanter zijn. Freriks kijkt verder dan Goed Beheerde Zorgsystemen, landelijke schakelpunten en ADEMD- of ADEPD-richtlijnen. Hij heeft kritiek op HL7-versie 3 en pleit voor een versie 4, waarin de nieuwe Europese EPD-norm is opgenomen.

Elk huidig Nederlands HIS heeft een eigen informatie- en/of databasemodel. Elk systeem is uniek. Dat geldt zelfs voor systemen van dezelfde leverancier. Om te communiceren zijn berichtenstandaarden ontwikkeld (Edifact, HL7). Maar omdat systemen uitdijen en er steeds meer nieuwe applicaties bijkomen, moeten die berichtenstandaarden steeds weer worden aangepast. Daarbij gaat onherroepelijk veel mis. Daardoor komt het dat systemen zo moeilijk integreren. OZIS, HL7 en landelijke schakelpunten zullen daar altijd mee te maken hebben.

MEER UNIFORMITEITIn het model dat Freriks bepleit zijn de database en de informatielaag van alle zorgsystemen op dezelfde manier opgebouwd. Alleen de presentatielaag verschilt. Als je een database ziet als een kast met talloze laden en vakjes, dan heeft elk vakje of lade daarin zijn eigen unieke betekenis. Dat kan een labbepaling zijn, de S-regel van een consult, een geboortedatum, enzovoort. Als je het eens bent over welk voorwerp in welk vakje moet, dan heb je een norm/standaard.

Een database wordt bevraagd door een informatieapplicatie die ook voor alle systemen hetzelfde is. De informatielaag zorgt voor structurering van data, voor 'legoblokjes' (archetypen) van informatie. Bijvoorbeeld de elementen voor een verwijsbrief, de afspraken op een bepaalde dag, de gegevens van de jaarcontrole bij een diabetespatiënt, enzovoort. Als je het eens bent over hoe de legoblokjes eruitzien, heb je weer een norm/standaard.

Bovenop de informatielaag komt de 'presentatielaag'. Dit is het terrein van de HIS-leveranciers. Hier kunnen ze het de gebruikers naar de zin maken. De gebruiker kan zelf kiezen, al naar gelang zijn behoeften.

CONSEQUENTIESDe vraag is waarom zo'n systeem beter voor de gebruiker is. Daar zijn verschillende antwoorden op te geven. Als alleen de presentatielaag verschillend is, is het makkelijk om van HIS te wisselen. Werkt je vakantiecollega met HIS A en jij met HIS B? Dan kun jij voor hem waarnemen in jouw HIS B en kan hij, als hij weer terug is van vakantie, jouw werk bekijken in zijn HIS A. Hetzelfde geldt voor de dienstwaarneming. Wil je gegevens uit je HIS halen voor wetenschappelijk onderzoek? Een leverancier kan daar een applicatie voor bouwen, die HIS-onafhankelijk gegevens uit je database haalt.

Vind je de spreekuurinterface van HIS A erg goed, maar vind je de ondersteuning voor je POH beter in HIS B? Geen probleem! Je kunt beide HISsen door elkaar heen gebruiken.

Het wordt mogelijk dat leveranciers een 'deel-HIS' ontwikkelen. In het huidige systeem moet iedere HIS-leverancier elk onderdeel van het HIS zelf ontwikkelen. Dat is verspilling van energie. Als een leverancier een goede agenda heeft ontwikkeld kan in het 'archetypemodel' elke huisarts die agenda gebruiken. Hetzelfde geldt voor een POH-module, boekhoud-module, declaratiemodule, software van 24-uurs-bloeddrukmeters, spirometers, ECG-apparaten, enzovoort.

Bestaande leveranciers vinden dit soort ontwikkelingen niet leuk. Hun marktaandeel wordt opeens onzeker. Als gebruikers makkelijk kunnen switchen van HIS, dan kunnen verouderde systemen wel inpakken. Het nieuwe model biedt echter ook mogelijkheden voor nieuwe vormen van zakendoen. Leveranciers zullen op andere dingen moeten concurreren. Vooral service wordt belangrijk.

NIET VAN EEN LEIEN DAKJEDat de internationale denktank waar Gerard Freriks deel van uitmaakt een nieuwe norm heeft bedacht en dat die op Europese schaal is aangenomen, wil nog niet zeggen dat hij ook wordt geïmplementeerd. Het is een andere vorm van denken over ICT, die een paradigmaverandering vereist. Systemen moeten kantelen, de geesten moeten bewerkt worden. Overheden zullen eisen moeten stellen. Gebruikers moeten ophouden aan het handje van hun leveranciers te lopen.

Kortom, het zal niet van een leien dakje gaan. In Denemarken, Ierland, Schotland, Slowakije, Hongarije zijn stappen gezet. Gaat Nederland volgen? Dat hangt van onze ontevredenheid af – zijn we wel ontevreden genoeg? Revoluties breken doorgaans uit als de nood heel hoog is. Of dat al het geval is, is de vraag…

Wilt u reageren?

Lou Braaksma, e-mail : lou - AT - braaksma.nl

naar boven

");